Vermogensetikettering

Vermogensetikettering; in privé of op de zaak?

Fiscaal, Inkomstenbelasting IB, Vermogensrendementsheffing

In de praktijk wil de vermogensetikettering voor de inkomstenbelasting nog wel eens lastig uitpakken. Op zoek naar de juiste balans tussen privévermogen en ondernemingsvermogen, zijn er drie smaken;

  1. verplicht ondernemingsvermogen,
  2. verplicht privévermogen;
  3. keuzevermogen.

Het spreekt redelijk voor zich wanneer iets verplicht ondernemingsvermogen, of verplicht privévermogen is. Lastiger wordt het als het om keuzevermogen gaat. Het begrip suggereert dat de ondernemer een vrije keuze heeft.

Echter soms blijkt het begrip “vrije keuze” relatief te zijn. De vrije keuze wordt begrensd door redelijkheid en billijkheid. Daarmee vervalt de vrije keuze van de ondernemer.

Vermogensetikettering, de 3 smaken

Zoals aangegeven zijn er drie smaken. Twee daarvan spreken voor zich en zijn door de fiscus opgelegd. De ondernemer heeft hierbij dus geen keuzerecht. In het geval van keuzevermogen, kan het zo zijn dat het vermogensbestanddeel opgesplitst moet worden in een deel ondernemingsvermogen en een deel privévermogen. Allereerst de drie smaken met omschrijvingen nog even op een rij.

1. Verplicht ondernemingsvermogen

Het verplichte ondernemingsvermogen wordt gevormd door de vermogensbestanddelen  die uitsluitend, af nogenoeg uitsluitend voor zakelijke doeleinden worden gebruikt. Voorbeelden hiervan zijn; het bedrijfspand, het machinepark, de vracht- en bestelauto’s, etc. Op grond van de jurisprudentie ligt de grens bij “nagenoeg uitsluitend” op 90%. Beperkt privé gebruik is dus toegestaan. Verplicht ondernemingsvermogen moet op de balans van de onderneming staan. Dit geldt ook voor de lusten en lasten in samenhang met de vermogensbestanddelen.

In het geval dat een vermogensbestanddeel als verplicht ondernemingsvermogen aangemerkt dient te worden, blijft de etikettering van kracht ook wanneer het vermogensbestanddeel eerst uitsluitend in privé gebruikt wordt. Omgekeerd kan dit ook het geval zijn. De feitelijke omstandigheden bepalen van geval tot geval hoe hier in redelijkheid mee omgegaan moet worden.

2. Verplicht privévermogen

Het verplichte privévermogen wordt gevormd door de vermogensbestanddelen die geen enkele band met de bedrijfsbeoefening hebben. Daaronder vallen dus ook zaken die slechts in geringe mate voor het bedrijf gebruikt worden. Richtsnoer hierbij is voor minder dan 10%. Denk hierbij aan het woonhuis, de huishoudelijke inboedel, de privé bankrekening, de alimentatieverplichting, etc. Deze zaken horen niet thuis op de balans van de onderneming.

3. Keuzevermogen

Het keuzevermogen wordt gevormd door de vermogensbestanddelen die zowel in privé als ook zakelijk worden gebruikt. Bij deze zaken is de keuze aan de ondernemer. Deze keuze maakt de ondernemer kenbaar door het vermogensbestanddeel wel of niet op de balans van de onderneminmg op te nemen. De ondernemer kan op deze keuze terugkomen, zolang de IB aanslag over het betreffende jaar nog niet onherroepelijk vaststaat. Alhoewel de keus van de ondernemer hier bepalend is, moet deze keuze wel redelijk zijn. De inspecteur kan hierop toetsen. Is de ondernemer niet binnen de grenzen van redelijkheid en billijkheid gebleven naar het oordeel van de inspecteur? Dan moet de ondernemer zijn keuze herzien.

Heretiketteren

Van privé naar zakelijk

De verplichte labeling privé of op de zaak, doet zich ook voor bij bestemmingswijziging van een vermogensbestanddeel. Krijgt een privé vermogensbestanddeel een zakelijke bestemming, dan volgt daaruit dat het vermogensbestanddeel verplicht ondernemingsvermogen wordt. Denk hierbij aan een bedrijfspand, dat de ondernemer vanuit privé verhuurde aan een derde, maar nu zelf zakelijk gebruikt. Deze heretikettering van privé naar zakelijk wordt rechtens gezien strikt toegepast. Het bedrijfspand wordt dus verplicht op basis van de reëele verkoopwaaarde op de balans gezet. Dit geldt dus ook voor de hypotheek op het bedrijfspand.

Van zakelijk naar privé

Omgekeerd is de belastingrechter terughoudender. Immers, wanneer een bedrijfspand van zakelijk naar privé overgaat, dient er met de fiscus afgerekend te worden. Feitelijk wordt de ondernemer bij overgang naar privé gedwongen om af te rekenen over een meerwaarde die de ondernemer niet feitelijk realiseert. In dit geval eist de redelijkheid, dat het pand keuzevermogen is, zolang de ondernemer het pand aan een derde verhuurt.

Anders wordt het wanneer de ondernemer het pand na de beëindiging van het zakelijkgebruik, als woning in gebruik neemt. In dat geval wordt het pand verplicht privévermogen en moet er met de fiscus afgerekend worden.

Verstrengelde zaak

Het kan voorkomen dat een ondernemer bij de aankoop van een bedrijfspand het er naast gelegen perceel of pand erbij moet kopen. Bij een dergelijke koppelaankoop is de regel, dat een op de koop toe geaccepteerde zaak het bedrijfspand volgt. Het betreft in dat geval verplicht ondernemingsvermogen. Een eventueel later behaalde winst bij verkoop als ook de huuropbrengsten vormen bedrijfsresultaat voor de onderneming.

Het wordt anders wanneer de ondernemer vanaf de aankoop het voornemen had het ‘meegekochte pand’ zelf te gaan gebruiken voor privé, of om het pand als beleggingsobject te gaan verhuren, dan is de keuze voor privévermogen toegestaan en mogelijk zelfs verplicht.

Panden in gemengd gebruik en vermogensetikettering

Het pand is bouwkundig te splitsen

Voor de vermogensetikettering van een pand dat in gemengd gebruik is, komt als eerste de vraag aan de orde of het pand bouwkundig te splitsen is. Het gaat er hierbij niet om, of het pand daadwerkelijk juridisch gesplitst kan worden, waarna de delen gescheiden verkocht kunnen worden. Het is voldoende wanneer de delen voor afzonderlijk gebruik als woon- en bedrijfspand geexploiteerd kunnen worden. Het pand hoeft ook niet daadwerkelijk gesplitst te zijn. Het volstaat als deze splitsing met een niet al te ingrijpende verbouwing kan worden gerealiseerd. Als het pand splitsbaar is, dan heeft de ondernemer geen keuze vrijheid. In dat geval moet hij het pand splitsen. Het woongedeelte is verplicht privévermogen en het bedrijfsgedeelte is verplicht ondernemingsvermogen.

Aankoop gemengd pand uitsluitend met oog op de bedrijfsvoering

De ondernemer koopt puur met het oog op de bedrijfsvoering een niet juridisch gesplitst pand met een woon- en bedrijfsgedeelte. Denk hierbij aan een woon- winkelpand, dat niet juridisch gesplitst is en ook niet afzonderlijk verkocht kan worden.  De bovenwoning heeft de ondernemer er feitelijk noodgewongen bij moeten kopen. Omdat het ondernemersbelang bij de aankoop bepalend was, hoeft de ondernemer de bovenwoning niet verplicht tot het privévermogen te rekenen. In dit geval heeft de ondernemer een keuze. De ondernemer kan de bovenwoning tot het ondernemingsvermogen rekenen en de bovenwoning verhuren. De huuropbrengsten zijn in dat geval bedrijfsresultaat. De ondernemer kan er ook voor kiezen de bovenwoning tot het privévermogen te rekenen en de woning te verhuren als beleggingsobject.

Bedrijfswoning en eigen bewoning

De ondernemer woont zelf in de bovenwoning en het woongedeelte is dienstbaar aan de onderneming. Dit is bijvoorbeeld het geval als vanuit de woning toezicht gehouden wordt op de onderneming. In dat geval hoeft de ondernemer de woning niet tot het verplichte privévermogen te rekenen.

Het pand is niet bouwkundig te splitsen

In het geval dat het pand niet bouwkundig te splitsen is, heeft de ondernemer een 3-tal keuzes;

  1. volledige toerekening aan het privévermogen,
  2. volledige toerekening aan het ondernemingsvermogen,
  3. het pand administratief verdelen.

In het laatste geval doet de ondernemer dit naar rato van het gebruik. Ook hier geldt weer de begrenzing van de redelijkheid. Als een onevenredig deel van het pand in privé wordt gebruikt, kan de ondernemer uitsluitend het feitelijk gedeelte dat in zakelijk gebruik is, aan het ondernemingsvermogen toerekenen. De volledige toerekening aan het ondernemingsvermogen is in dat geval niet redelijk. Omgekeerd geldt hetzelfde.

Werken van huis uit

Ook in deze situatie kan er sprake zijn van gemengd gebruik en vermogensetikettering. Echter in deze situatie zijn er meer criteria die bepalen of vermogensetikettering überhaupt aan de orde is. In het bericht “Werken van huis uit” leest u hierover meer.

Personenauto’s

Voor de vermogensetikettering van personenauto’s geldt in beginsel het keuzevermogen. Ook hier geldt dat het wel in redelijkheid moet gebeuren. Waar het gaat om personenauto’s wordt er niet getoetst op het percentuele gebruik. Voor personenauto’s geldt een kilometrage van 500 kilometer per jaar. De rechter heeft bepaald, dat wanneer een ondernemer minder dan 500 kilometer per jaar de auto voor privé gebruikt, de auto niet aan het privévermogen toegerekend mag worden. Wanneer een ondernemer minder dan 500 kilometer per jaar zakelijk rijdt, is de kans groot dat de auto verplicht aan het privévermogen toegerekend moet worden. Ook voor de vermogensetikettering is het dus van belang dat er een kilometeradministratie wordt bijgehouden.

Liquide middelen

De liquidemiddelen behoren in beginsel toe aan het verplichte ondernemingsvermogen. Er kan echter sprake zijn van ‘overtollige’ liquidemiddelen. Wanneer dit slechts tijdelijk is omdat er in de nabije toekomst geïnvesteerd moet worden blijven de liquidemiddelen ondernemingsvermogen. Anders wordt het met een blijvend liquiditeitsoverschot. In dat geval behoren de overtollige liquidemiddelen tot het privévermogen.

Vermogenstitels

Wanneer deze zijn aangeschaft met blijvend overtollige liquiditeit, dan worden vermogenstitels zoals courante beursgenoteerde aandelen verplicht toegerekend aan het privévermogen. Wanneer de ondernemer met tijdelijk overtollige liquidemiddelen de vermogenstitels aanschaft is het keuzevermogen van toepassing. De vermogenstitels moeten dan wel snel liquide te maken zijn. Koopt de ondernemer aandelen die van cruciaal bedrijfsbelang zijn, dan zijn deze verplicht ondernemingsvermogen. Hierbij kan gedacht worden aan aandelen in een concurrent, of toeleveringsbedrijf. Vermogenstitels gekocht voor zowel zakelijk, als ook privébelang, zijn keuzevermogen. Althans, voor zover deze niet gefinancierd zijn met overtollige liquiditeit.

Schulden

Voor de vermogensetikettering van schulden geldt; het passivum volgt het activum. Dit houdt dus in dat de vermogensetikettering van de schuld gelijk is aan de etikettering van het met de schuld gefinancierde vermogensbestanddeel.

Klik hier voor meer secifieke informatie voor IB-ondernemers en ZZP’ers.

Terug naar overzicht